Skip to main content

Abstracts

Lianne Barnard (Universiteit Olomouc) - The intersection of pornography and racism in De Buitenvrouw and Alleen maar nette mensen

Theo in De Buitenvrouw (Joost Zwagerman, 1994) and David in Alleen maar nette mensen (Robert Vuijsje 2008) consume pornography, act it out with a black woman and then remember it. Theo is very conscious that during the sex act with Iris, a black teacher, he is using his body as a camera and that he is playing a role. David also feels alienated from himself, seeing himself acting in slow motion in a film during group sex. By using discourse analysis, postcolonial theory and gender studies I aim to explore how discourses of pornography and racism intersect to form the identity narratives of the main characters in these two novels. I will use examples from the novels to interrogate Andrea Dworkin’s radical-feminist theory of pornography in Pornography: Men possessing women (1981) and also take into account Judith Butler’s criticism in Excitable Speech (1997) of Catherine MacKinnon’s attempt to define pornography as a form of hate speech. Although both novels are filled with examples of what Philomena Essed would call ‘everyday racism’, the potential anti-racist message is undermined by the pornographic aesthetics of race.

Sander Bax (Universiteit Tilburg) - Tegenover de barbarij! De literaire schrijver in het mediatijdperk

Om te begrijpen hoe het literaire schrijverschap in de 21e eeuw vorm krijgt, wil ik mijn lezing de aandacht richten op de mate waarin literatuur steeds meer een onderdeel wordt van de hedendaagse mediacultuur. In mijn lezing wil ik drie publieke optredens van hedendaagse literaire schrijvers met elkaar confronteren. In alle drie de gevallen is de publicatie van een literaire tekst de aanleiding voor het media-optreden. Het zijn literaire teksten die op een expliciete manier relaties leggen tussen gebeurtenissen uit het leven van de auteur en met het optreden van auteur en/of personage in mediacultuur.

Ik stel mij de vraag hoe deze drie auteurs hun schrijverschap vormgeven in de publieke media. In welke spanningsvelden opereren zij? Van welke retorische strategieën kunnen en willen zij zich bedienen? Welke discursieve en sociale contexten bepalen hoe zij hun schrijverschap vormgeven? Welke invloed heeft hun optreden in de mediacultuur op de romans die zij publiceren? Ten slotte stel ik de vraag hoe we concepten als ‘self-fashioning’ en ‘posture’, die op dit moment in de Neerlandistiek met enige regelmaat gebruikt worden, kunnen inzetten om een analyse te maken van het functioneren van literaire schrijvers in de hedendaagse mediacultuur.

Esther Op de Beek (Universiteit Leiden) - Recyclebaar geluk? Een institutionele verkenning van ‘geluk’ in de naoorlogse romanproductie

Hoewel de narratieve paradigma’s waarin we denken, spreken en schrijven over geluk en ongeluk cruciaal lijken om (het functioneren van) literatuur te begrijpen, is er de afgelopen decennia weinig aandacht aan besteed in de literatuurwetenschap (Corkhill 2012, Ahmed 2010). Daar lijkt sinds enkele jaren echter verandering in te zijn gekomen. In de literatuurwetenschap wordt door Pawelski en Moores (2013) een ‘Eudaimonic Turn’ gesignaleerd, die volgt op – en zich tegelijkertijd kritisch verhoudt tot – de bredere ‘Happiness Turn’ in onder meer de (positieve) psychologie, sociologie en economie. In haar manifest Uses of Literature onderstreept Rita Felski de beperkingen van een hermeneutics of suspicion en het onterechte dedain ten aanzien van leesattitudes waarin bijvoorbeeld kennis, emoties en erkenning een belangrijke rol spelen.

Het valt op hoeveel schrijvers (of uitgevers) er de laatste jaren voor kiezen het thema ‘geluk’ expliciet in hun romans te belichten; het woord ‘geluk’ of variaties daarop zelf ook in de titel opnemen. Mogelijk is er in de literatuur juist een reactie te zien op die ‘Happiness Turn’ en op wat Pascal Bruckner (2011) en Sara Ahmed (2010) typeren als de ‘happiness duty’ in onze maatschappij: het idee dat geluk een plicht, meetbaar en dus een (haalbare) prestatie geworden is. In mijn onderzoek richt ik mij momenteel op die representaties van geluk in contemporaine romans aan de hand van een aantal narratieve paradigma’s. De narratieve paradigma’s beschouw ik (met Vivasvan Soni 2007) tevens als hermeneutische paradigma’s die sturend (kunnen) zijn in de receptie van de romans – zowel in de kritiek als in leesgroepen – en dus ook als zodanig te onderzoeken zijn.

In deze bijdrage wil ik mijn vraag bescheiden houden: ik wil me vooral richten op een institutionele analyse van de productie van romans met ‘geluk’ in de titel. De vraag die ik zal beantwoorden luidt: klopt mijn vermoeden dat er een toename is van titels met woorden als ‘geluk’, ‘gelukkig’, ‘ongeluk’ of ‘ongelukkig’? En wat zijn het voor titels: waar zijn ze uitgegeven? Zijn het vertalingen? Een eerste verkenning laat zien dat dat er een constante productie is van titels in de Omnibussen bij van oorsprong protestantse uitgeverijen en in de Bouqetreeks en dat het vaak gaat om titels die sinds de jaren tachtig telkens opnieuw uitgegeven worden: een vorm van recyclebaar geluk? Bij de ‘literaire’ uitgeverijen is er recent mogelijk wel een lichte toename te zien.

Jacqueline Bel (VU) - Bloed of rozen? Literatuur en emancipatie in Vlaanderen en Nederland (1900-1945)

Verschillende literatoren streefden in de eerste helft van de twintigste eeuw in hun werk naar autonomisering. Maar wie de letterkunde van Vlaanderen in die tijd bestudeert, moet constateren dat deze literatuur ook op vele manieren (thematisch, poëticaal, institutioneel) verweven is met de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. In Nederland is dat niet het geval, al sympathiseerden verschillende schrijvers met Vlaanderen. De vraag dringt zich op in hoeverre Noord en Zuid (1900-1945) vergelijkbaar zijn op dit punt van vervlechting of betrokkenheid met actuele maatschappelijke vraagstukken. Speelt emancipatie ook een cruciale rol in het Noord-Nederlandse literaire systeem?

In mijn lezing wil ik aan de hand van mijn nieuwe literatuurgeschiedenis Bloed en rozen, naast een korte schets van de situatie in de Vlaamse literatuur (1900-1945), enkele casussen belichten uit de Noord-Nederlandse letterkunde waarin emancipatie een rol speelt. De vrouwenemancipatie rond 1900, de katholieke emancipatie in de jaren twintig en dertig en de emancipatie van de arbeiders. De vraag is in hoeverre het hier om perifere dan wel centrale kwesties gaat. In mijn lezing probeer ik daar een antwoord op te geven waarbij ik inga op thema’s als hoog en laag, centrum en periferie en uitgangspunten en zoeklichten bij het onderzoek.

Lars Bernaerts (UGent) - Waar hoort het hoorspel? Over de plaats van audiofonische verhaalkunst in de literaire cultuur van de Lage Landen

Tal van auteurs uit Nederland en Vlaanderen, zoals Bernlef, Claus, Komrij en Michiels, schreven scenario’s voor hoorspelen. Tal van romans werden voor het oor bewerkt: Max Havelaar, Eline Vere, Het stenen bruidsbed, enz. Toch blijft het hoorspel een onzichtbaar genre, en dat niet alleen in letterlijke zin. Aan de hand van intermedialiteitstheorie, hoorspelonderzoek en sound studies wil deze bijdrage onderzoeken hoe het hoorspel functioneert als deel van de literaire cultuur in de Lage Landen en hoe het zich als kunstvorm tot de literatuur verhoudt. Dat veronderstelt zowel een contextuele/ institutionele blik als een intermediaal/ semiotisch perspectief. Allereerst wordt de institutionele en technologische ontstaanscontext van hoorspelen kort geschetst. Vervolgens gaat de bijdrage in op de multimodale configuraties (d.w.z. de mix en montage van stem, woord, geluiden, muziek en stilte) die de eigenheid van het hoorspel uitmaken. Uit de mediumgerichte analyse blijkt hoe narratieve informatie niet alleen gecodeerd wordt in de woorden, maar ook in stemgebruik, geluid en muziek. Wie de interne structuur van het Nederlandstalige hoorspel nader bekijkt, zal het contextuele beeld nuanceren: een aantal literaire hoorspelen profileert zich weldegelijk als zelfstandig kunstwerk. Concrete luistervoorbeelden zullen deze argumentatie over de institutionele en mediumspecifieke plaats van het hoorspel in de literaire cultuur illustreren.

Peter de Bruijn & Floor Buschenhenke (Huygens ING, KNAW) - Het literaire werk 2.0: het creatieve proces en de digitale wereld

Onderzoek naar de ontstaansgeschiedenis van literaire werken wordt traditioneel verricht op basis van handschriftelijk en gedrukt materiaal. Met de intrede van de computer in de werkkamer van de schrijver dreigen deze bronnen te verdwijnen. Is dit het einde van het tekstgenetisch onderzoek zoals we dat kennen of biedt het digitale tijdperk een essentiële uitdaging waar het onderzoeksveld zich nog nauwelijks rekenschap van heeft gegeven? In augustus 2015 is bij het Huygens ING een pilotonderzoek gestart naar de schrijf- en bewaargewoontes onder hedendaagse schrijvers, door middel van een enquête en interviews, het real time volgen van schrijfprocessen m.b.v. software (Inputlog) en door informatiedragers te analyseren. In onze lezing doen wij verslag van de eerste resultaten. Hoe verhouden de door ons verzamelde gegevens zich tot de claims in de vakliteratuur over het nieuwe schrijven? Valt er uit de digitale varianten van een literair werk meer, minder of iets anders af te lezen dan van de traditionele bronnen? En leidt de toenemende digitale productie niet alleen tot een anders verlopend creatief proces, maar ook tot andere (crossmediale) vormen van literatuur? Welke technische, praktische en ethische beperkingen zijn we tegengekomen? En wat zijn de consequenties daarvan voor toekomstig onderzoek? Is het einde in zicht of openen zich nieuwe perspectieven?

Thomas Crombez (UAntwerpen) - Hoe de theaterschrijver een functie werd. Klassiek en hybride auteurschap in de podiumkunsten vandaag

Het moderne theater, schreef Hans-Thies Lehmann, is de geschiedenis van één grote verstoring tussen de tekst en de scène. De dialoog, bouwsteen van het klassieke toneelstuk, ruimde baan voor andere soorten van taalgebruik. Vandaag spreekt het theater in vele stemmen. Van fragment en essay tot monoloog en romanbewerking.

Deze presentatie focust op de nieuwe vormen van auteurschap die in het hedendaagse theaterlandschap opgeld maken. De uiteenlopende gestalten van de hedendaagse theaterauteur komen aan bod. Als hij of zij nog bestaat. Of zijn de theaterauteurs van vroeger allemaal ‘makers’ geworden vandaag, dus podiumkunstenaars die niet alleen regisseren of spelen, maar ook schrijven, bewerken en vertalen? Wat is er geworden van de ‘klassieke’ theaterauteur: de man of vrouw, veelal man, die in z’n schrijfkamer een dramatische situatie uitdenkt en in dialogen giet, maar zelf niet regisseert of vormgeeft of op de scène staat?

Deze presentatie gaat in de eerste plaats dieper in op de situatie binnen het Vlaamse theaterlandschap. Om de bovenstaande vragen te beantwoorden, maak ik in eerste instantie een analyse van de voorstellingen opgenomen in de productiedatabank van het Vlaams Theater Instituut (1993–2015), en van de gegevens over subsidies voor theaterteksten bij het Vlaams Fonds voor de Letteren (2000–2015).

Hans Demeyer (UGent) & Sven Vitse (UU) - De affectieve dominant. Een ideologiekritische lezing van recent Nederlands proza

In De republiek (De Vries 2013) merkt de verteller op: ‘Het was voor het eerst (…) dat ik een swastika zag die iets betekende’. Hij meent de historische lading van dit symbool, die hij uiteraard al kende, voor het eerst te kunnen ervaren. Deze passage is volgens ons typerend voor een recente ontwikkeling in het Nederlandse proza: de focus ligt minder op een epistemologische of ontologische interpretatie van de werkelijkheid dan op de ervaring ervan.  

Van Dijk en Olnon (2015) zien in het recente proza een tendens tot ‘radicaal relationisme’. Wij conceptualiseren de verhouding tussen dit proza en het postmodernisme niet als een verschuiving van ironie naar betrokkenheid, maar als een verschuiving van dominant (McHale 1987): van een epistemologische en ontologische naar een affectieve dominant. De leidende vraag is: ‘hoe kan ik de werkelijkheid (het verleden, het zelf, de ander) voelen?’, veeleer dan ‘hoe kan ik haar kennen?’, of ‘hoe weet ik dat ze bestaat’?

Deze bijdrage concretiseert ons ‘agonistische’ leesmodel (Demeyer & Vitse 2014). In een ideologiekritische lezing situeren we het recente proza tegen de achtergrond van het hedendaagse informatiekapitalisme en zijn impact op het vermogen om te ervaren, te verlangen en te voelen (Stiegler 2009, Virilio 2010).

Elke Depreter (VUB) - ‘Revolte en stormloop tegen de goede smaak’. De mogelijkheid tot kritiek in de neo-avantgardistische poëzie van Ben Klein

De dichter-provocateur Ben Klein (1928) verzette zich tegen de burgerlijke maatschappij en tegen de poëzie van zijn tijd. Zijn poëtica vertoont ook andere kenmerken die het etiket neo-avant-garde volgens Bart Vervaeck omvat, met name verwijzingen naar historische avant-gardes als surrealisme, dada en futurisme - talrijk zowel in Kleins poëzie als in zijn essayistische geschriften - en het omhelzen van andere tradities (Vervaeck 2014). Deze laatste tendens vinden we bij Klein terug in uitspraken als dat hij de ‘reine pohesie’, ‘de pohesie om de pohesie’ voorstaat, die overigens lijken te wringen met zijn avant-gardistische eis dat de dichter experimenteel moet schrijven, leven én ageren (Klein 1958).

Ik stel de vraag of we de soms paradoxale poëtica van Klein inderdaad kunnen beschouwen als een vruchtbare neo-avant-gardistische bewerking van een aantal strijdpunten van de avant-gardes die - in tegenstelling tot wat Peter Bürger over de neo-avant-garde dacht - een gegronde kritiek van literatuur en maatschappij inhield. Ik neem eerst de avant-gardistische elementen onder de loep die Klein inschakelde in zijn expliciete versinterne en versexterne poëtica, en ik bestudeer hoe hij zich hiermee onderscheidde van zijn collega-experimentelen. Ten tweede ga ik na hoe deze bijdragen aan het cultuurkritische potentieel van zijn poëzie

Jeroen Dera (RU) - ‘In onze aanwezigheid demonstratief afwezig’: metakritiek in Nederlandse literatuurprogramma’s uit de jaren zestig en zeventig

Nadat in 1951 de televisie in Nederland was geïntroduceerd, duurde het relatief lang tot de eerste tv-programma’s over literatuur het licht zagen. Veel sporen hebben ze in de Nederlandse literatuurgeschiedenis niet achtergelaten: Literaire ontmoetingen is weliswaar behoorlijk bekend geworden, maar programma’s als Literair kijkschrift, Boekje open, Dichtersportret en Muze in spijkerbroek zijn al snel in de literair-historische vergeetput terechtgekomen. Toch bieden de uitzendingen van zulke programma’s een fraai inkijkje in de manier waarop het literaire veld en de mediawereld gedurende de jaren zestig met elkaar verstrengeld raakten.

In mijn presentatie zal ik daarom, uiteraard aan de hand van het oorspronkelijke beeldmateriaal, stilstaan bij de televisuele metakritiek die in zulke vroege literatuurprogramma’s gebezigd werd. Hoe reflecteerden de makers en (geïnterviewde) gasten op de functie van literatuurbeschouwing op televisie? Zagen zij een rol voor televisie weggelegd op het vlak van cultuurbemiddeling? En in hoeverre was er op televisie sprake van kritische geluiden over het medium in het algemeen en de relatie tussen literatuur en televisie in het bijzonder?

Małgorzata Drwal (Universiteit Poznań) - Literatuur in dienst van vakbonden – schrijvende activisten rondom het Zuid-Afrikaanse tijdschrift Die Klerewerker/The Garment Worker

In Zuid-Afrika in de jaren twintig, dertig en veertig van de 20e eeuw liepen de modernisering en het scheppen van de nationale mythologie parallel. Deze ontwikkelingen vormden de achtergrond voor het werk van een aantal maatschappelijke activisten die als werksters in textielindustrie een vakbond van kleermakers oprichtten. In deze lezing wordt bekeken hoe de industrialisatie en de daarmee verbonden maatschappelijke veranderingen in de vrouwelijke vakbondenliteratuur werden weerspiegeld. Het officiële orgaan van de vakbond, het tweetalige tijdschrift Die Klerewerker/The Garment Worker, bood een platform aan de activisten, zoals o.a. Hester Cornelius, Ida Muller of Winnie Meyer, waar ze hun ideeën verspreidden en er vaak een literaire vorm aan gaven. Naast verslagen van vergaderingen en opinieartikels schreven ze maatschappelijk betrokken verhalen, dialogen, toneelstukken en gedichten, waarmee ze de alledaagse overlevingsstrijd van de werksters afbeeldden en het belang van de vrouwelijke solidariteit en het klassenbewustzijn benadrukten. De auteurs leken er zich van bewust te zijn dat het gebruik van literaire vormen effectiever was om het publiek aan te spreken en te overtuigen.

Hoewel deze teksten door literaire critici werden genegeerd, biedt de vakbondenliteratuur een interessant en genuanceerd beeld van verhoudingen tussen het socialisme, het feminisme en het nationalisme in een land dat een ontwikkelingsproces doormaakt.

Lizet Duyvendak (OU) - ‘Zie wat ik zeg dat ik niet zeggen kan’. De performatieve functie van stadspoëzie van Joke van Leeuwen

Het aantal stadsdichters in Nederland en Vlaanderen groeit. Er zijn verschillende visies op de rol van de stadsdichter. Veel stadsbestuurders verwachten vooral stadpromotie; sommige stadsdichters willen echter ook en vooral hun poëzie en de zaken die je via het medium poëzie kunt uitdrukken onder een groter publiek verspreiden.

In mijn lezing ga ik in op het Stadsdichterschap van Antwerpen van Joke van Leeuwen. Naar aanleiding van de receptie van een aantal van haar stadsgedichten heb ik deze geanalyseerd om te onderzoeken hoe een stadsgedicht dat het publiek tot een reactie uitlokt, eruit ziet. De aandacht van een deel van het poëzieonderzoek is inmiddels verschoven naar een analyse van de karakteristieken van poëzie als performance, waarbij het dan gaat om de analyse van podiumpoëzie. Eén van de parameters om performancepoëzie te begrijpen is volgens de Britse literatuurwetenschapper Peter Middleton de notie ‘intersubjectiviteit’. Tijdens een voordracht ontstaat ‘een intersubjectief netwerk’ tussen de dichter en het publiek.

Met een aantal voorbeelden uit het werk van Van Leeuwen wil ik laten zien dat het zinvol is om het performatieve karakter van poëzie niet alleen van toepassing te verklaren voor een voordracht in een zaal, maar uit te breiden naar het genre stadsgedichten. Deze bijzondere ‘gelegenheidsgedichten’ doen namelijk ook zonder de directe aanwezigheid van de dichter een beroep op de lezers en voorbijgangers om hun positie te bepalen

Myrthel Van Etterbeeck (KU Leuven) - ‘Het ogenblikkelijke of het toekomende, wie heeft gelijk?’ De (oorlogs)literatuur van Abraham Hans

‘Schrijvers kunnen op tweeërlei wijze werken. Er zijn er die met oneindige toewijding hun werk polijsten en het toevertrouwen aan de komende geslachten en zo hun volk dienen. Er zijn er anderen die, bewogen door de directe noden van hun volk, hun werk eraan dienstbaar maken. Het ogenblikkelijke of het toekomende, wie heeft gelijk?’

Met dit citaat van Lode Baekelmans over Abraham Hans wordt onmiddellijk duidelijk dat deze volksschrijver uit het interbellum geen literatuur schreef om de eeuwigheid te doorstaan. Als voormalig onderwijzer wilde Hans de Vlaming via de populaire literatuur op een laagdrempelige manier onderwijzen en vertrouwd maken met het eigen land en het (Vlaams-)nationale verleden. Dit opzet was in dergelijke mate succesvol dat De Schaepdrijver hem medeverantwoordelijk acht voor de verspreiding van het beeld van de Vlaamse soldaat die sterft omdat hij de Franse taal onmachtig is (2013). In deze presentatie ga ik dieper op dit ene aspect in en onderzoek ik de representatie van Vlaanderen en België in het oorlogswerk van Hans in relatie tot de functie die hijzelf toekent aan zijn schrijverschap.

Barbara Fraipont (UCL) - ‘Het biovarken’ en andere varkens. Zoötalige en -kritische herverbeeldingen in Bont uit de zoo van Charlotte Mutsaers

Uit Charlotte Mutsaers’ essays en ook uit haar fictief en beeldend werk kunnen we afleiden dat een belangrijke ‘drive’ om te schrijven bij de Nederlandse schrijfster en kunstenares o.m. voortkomt uit een sterke preoccupatie en engagement met het dier (zie bijv. Pedante pendules en andere wekkers, 2010). Deze bijdrage wil inzicht proberen te verschaffen in de maatschappijkritische lijnen die Mutsaers uittekent in haar literatuur over het dier. In haar creatief werk vervagen doorgaans de grenzen tussen mens en dier. Via welke zoötalige en creatieve middelen komt deze schemerzone in haar kunst tot uitdrukking? En met welke ethisch-politieke uitwerking gaat deze herverbeelding van de grens tussen mens en dier, taal en wereld gepaard? Deze vragen zullen hier m.b.t. Mutsaers’ hybridische bundel Bont. Uit de zoo van Charlotte Mutsaers (2002), en vanuit het bredere perspectief van de Literary and Cultural Animal Studies (CLAS) behandeld worden. In deze lezing willen we niet alleen figuratieve en performatieve mens-dier configuraties in Mutsaers’ werk in kaart brengen en duiden, maar ook bepaalde politieke en sociale functies van haar ‘dierenliteratuur én -kunst’ belichten.

Gaston Franssen (UvA) (i.s.m. Dr. Stefan van Geelen) - Narratologie als therapie: de functie van literatuur in de psychologie en psychiatrie

Het belang van literatuur staat in de geestelijke gezondheidszorg, de psychologie en de psychiatrie buiten kijf. Er zijn twee belangrijke redenen waarom literaire teksten en literatuurtheorie van belang worden geacht in de psychologie en psychiatrie. Ten eerste hoopt men dat literatuur inzicht kan bieden in de subjectieve dimensie van ziek-zijn. Ten tweede staat literatuur in de aandacht van artsen en therapeuten omdat deze ‘zelfervaring’ van het subject een narratieve dimensie kent: het idee is dat het zelf coherentie krijgt en zichzelf kan duiden en begrijpen door een zelfnarratief te scheppen.

In mijn bijdrage beschrijf – en problematiseer – ik twee tendensen in de manier waarop literatuur en literaire theorie in de psychologie en psychiatrie worden ingezet. Aan de ene kant, zo zal duidelijk worden, stelt men dat het lezen van literaire teksten de zorgverlener/ therapeut in staat stelt om meer complete, person-centered zorg te verlenen. Aan de andere kant wordt vaak beargumenteerd dat het literaire lezen en schrijven de patiënt in staat stelt om grip te krijgen op zijn aandoening en zijn behandeltraject, wat ten goede komt aan het zelfvertrouwen, zelfbegrip en de therapietrouw.

Deze toepassingen van literatuur en literatuurtheorie in de GGZ zijn wetenschappelijk aangetoond en staan nauwelijks ter discussie, maar ze zijn daarom nog niet onproblematisch. In psychologische en psychiatrische vakliteratuur grijpt men namelijk vaak terug op een traditionele, realistische en constructivistische opvatting van literaire narrativiteit, een opvatting die gepaard gaat met een normatief onderscheid tussen ‘gezonde’ verhalen (samenhangend, monologisch, niet-fictief) en ‘pathologische’ verhalen (incoherent, meerstemmig, fragmentarisch, fictief). Literaire teksten stellen dit onderscheid echter vaak ter discussie – en de literatuurtheorie biedt heel bruikbare inzichten om eraan voorbij te gaan.

Ralf Grüttemeier (Universiteit Oldenburg) - Nederlandse literatuur en de Nobelprijs

Zoals bekend heeft nog nooit een Nederlandstalige auteur de in 1901 ingestelde Nobelprijs voor literatuur gewonnen. Dat is voor een taal van ongeveer 22 miljoen sprekers (minstens rang 48 in de wereld) opmerkelijk, zeker wanneer men er nog aan toevoegt dat van de 111 Nobelprijzen voor literatuur 89 zijn toegekend aan ‘Westerse’ landen en de Nobelprijs al 13 keer naar de qua aantal sprekers ‚ ‘kleinere’ Scandinavische landen ging. Mij lijkt de vraag interessant of dit feit ook iets zegt over het belang dat aan Nederlandse literatuur in het Nederlandse taalgebied wordt toegekend - kandidaten worden immers in eerste instantie door poortwachters uit Nederland en Vlaanderen voorgedragen.

De genomineerden alsmede de voordragende instanties en personen, hun motivaties voor de nominatie (voor zover gedocumenteerd) en hun positie in het literaire veld zal daarom in dit onderzoek voor de periode tot 1964 (deze grens in verband met de beschikbaarheid van documenten) systematisch worden achterhaald. Daarbij zal worden onderzocht welke acteurs en instituties al dan niet actief zijn qua nominaties alsmede hoe zich de voorstellen in poëticaal opzicht verhouden tot het beeld van waardetoekenning en schrijvershiërarchieën zoals dat uit de contemporaine Nederlandse literatuurgeschiedenissen kan worden afgeleid. Door enkele vergelijkende steekproeven zal tevens worden achterhaald in hoeverre de Nederlandstalige voorstellen qua aantal, soort en voordragende instanties afwijken van bijvoorbeeld Zweedse of Duitse voorstellen.

Laurens Ham (UU) - Literair ambassadeurschap in de negentiende eeuw

Over Harriet Beecher Stowes Uncle Tom’s Cabin (1852) gaan steeds dezelfde verhalen rond: het was in de negentiende eeuw het meest verkochte boek in de VS na de Bijbel, er werden in één jaar tijd één miljoen exemplaren van verkocht in Groot-Brittannië, en het boek zou volgens Abraham Lincoln een van de aanleidingen zijn tot de Amerikaanse Burgeroorlog. Er valt nogal wat op deze ideeën aan te merken, zo is de afgelopen jaren uit Angelsaksisch onderzoek gebleken: voor een deel zijn ze het resultaat van een geraffineerde campagne, waarbij Uncle Tom’s Cabin’s succes breed werd uitgemeten en Stowe als een celebrity werd neergezet. Die celebrity- en fancultuur rond haar persoon omvatte ook Europa: bij een Europese tournee in 1853 werd Stowe in Groot-Brittannië geadoreerd.

Zo is Stowe een van de interessantste transnationale voorbeelden van een ‘literair ambassadeur’: iemand die beroemdheid gebruikte om een maatschappelijk thema op de kaart te zetten. In deze lezing wordt besproken in hoeverre Nederland ook deel was van de transnationale celebritycultuur rond Stowe. Haar boek was ook in Nederland populair, maar werd het net zo snel gepopulariseerd als in de VS en Groot-Brittannië? En in hoeverre functioneerde Stowe als een beroemdheid in Nederland, over wie anekdotes en lofredes rondgingen?

Jenneke Harings (RU) - ‘Wij weigeren verder te werken met een loon dat nog geen arbeider zou nemen’. Over de verhouding tussen de maatschappelijke positie van literatuur en het literatuurbeleid in Nederland

De positie van literatuur als kunstdiscipline binnen het cultuurbeleid is een bijzondere. In de naoorlogse geschiedenis van het Nederlandse cultuurbeleid zijn er twee bepalende momenten voor het literatuurbeleid in Nederland, waaruit blijkt dat literatuur ‘anders’ behandeld wordt dan de andere kunstdisciplines, zoals beeldende kunst en podiumkunsten. Dat zijn de oprichting van het Fonds voor de Letteren in 1965 en de Letterennota uit 1988 van Elco Brinkman, toenmalig minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur.

In beide gevallen vormen schrijversprotesten de aanleiding het vigerende beleid te herzien. In 1965 boycotten auteurs de Boekenweek omdat ze vinden dat ze, net als hun collegakunstenaars uit de beeldende kunst, recht hebben op een basisloon, omdat hun beroep schrijver is. Het rapport ‘Schrijvers & Fonds’, waaruit blijkt dat de inkomenspositie van schrijvers nog steeds te wensen over laat, geeft Brinkman aanleiding voor het opstellen van zijn nota, die direct leidt tot verbreding van het letterenbeleid en indirect tot de oprichting van het Nederlands Literair Produktie en Vertalingen Fonds.

Deze twee momenten vormen het uitgangspunt van deze lezing, waarin ingegaan wordt op de ontwikkelingen binnen het Nederlandse letterenbeleid sinds WOII en de maatschappelijke positie van literatuur. Voor welke problemen is het Rijksbeleid een oplossing? En hoe zijn ze van invloed op de maatschappelijke positie van literatuur en de auteur?

Marjolein van Herten (OU) - ‘Verantwoorde gezelligheid met diepgang’. Leren in de leesclub

Vele duizenden Nederlanders zijn lid van een leesclub. Dit zijn met name hoogopgeleide vrouwen van circa 65 jaar oud. Met behulp van een enquête (n=877) en interviews (n=15) werden de motieven van leden om in groepsverband te lezen onderzocht, alsmede wat zij ervaren daarvan te leren. Veel respondenten waarderen namelijk, naast het sociale aspect van de leesclub, de mogelijkheden om te leren door leesclubdeelname. Eén deelnemer vatte het karakter van haar groep bijvoorbeeld samen als ‘verantwoorde gezelligheid met diepgang’. Er wordt door deelnemers onderscheid gemaakt tussen individueel lezen en lezen vanwege de leesclub, zowel wat betreft motieven als leerervaringen. Zo wordt de stijl van een boek bij individueel lezen vooral gekoppeld aan de mogelijkheid te genieten van lezen; bij het lezen en bespreken van literatuur wordt dit vooral gezien als iets waarover men kan leren. Ten slotte blijkt uit het onderzoek ook dat motieven en leerervaringen gerelateerd zijn aan een aantal persoonlijke en groepseigenschappen. Zo zijn leden van georganiseerde groepen (groepen die zijn aangesloten bij bijvoorbeeld een bibliotheek) meer gericht op literaire analyse en op leren over literatuur, terwijl leden van zelfstandige groepen meer bezig zijn met persoonlijke ontwikkeling en horizonverbreding. Ook blijken hoger opgeleiden meer gericht te zijn op leren van individueel lezen, terwijl lager opgeleiden meer gericht zijn op het samen leren door leesclubdeelname.

Aukje van Hout (Nijmegen) - Van het pad af: een normatieve analyse van proza van Johan de Meester en Edith Werkendam

Walmende lampen (1921) van Johan de Meester (1860-1931) wordt beschouwd als de eerste roman die lesbische liefde bespreekt. De Meester was niet de enige die seksuele taboes in zijn boeken behandelt. Een jaar later verschijnt de verhalenbundel Het purperen levenslied (1922) van Edith Werkendam (1896-1952). Werd Walmende lampen door de kritiek relatief positief ontvangen, de roman van Werkendam is een ander lot beschoren. De reacties varieerden van “stinkend vies” tot “demonisch” en “satanisch”.

De uiteenlopende receptie van het werk van De Meester en van Werkendam maakt duidelijk dat rond 1920 de opvattingen over wat in literatuur met goed fatsoen besproken kon worden behoorlijk uiteenlopen. De twee genoemde romans fungeren als uitgangspunt van een verkennend onderzoek naar de verhouding tussen literatuur en het maatschappelijke debat. Met behulp van normatieve analyse en discoursanalyse wordt onderzocht op welke manier De Meester en Werkendam allerlei gevoelige kwesties aan de orde stellen en hoe daarover werd geoordeeld.

Carel Jansen (RUG) - Een zoete verleiding: Het fotoverhaal als middel om over gezondheid te communiceren

De boekjes halen het A5-formaat niet, ze tellen alles bij elkaar nog geen tweeduizend woorden en elke bladzijde staat vol foto’s. Je hebt ze uit voor je het weet, en daarvoor hoef je geen ervaren of vaardige lezer te zijn. Het zijn verhalen. Ze gaan over thema’s als liefde en seks, vriendschap en loyaliteit, verdriet en geluk, leven en dood. Maar ze gaan tegelijkertijd over diabetes en overgewicht, over opnames in een ziekenhuis, over medicijngebruik, over voeding en beweging, over omgaan met Alzheimer-patiënten, of over een HPV-vaccinatie voor je dochter. 

De laatste jaren komt er steeds meer belangstelling voor de rol die fotoverhalen kunnen spelen in de gezondheidscommunicatie. In deze lezing wordt verslag gedaan van drie recente experimenten, uitgevoerd in Nederland en in Zuid-Afrika, bij lezers met verschillende leesvaardigheidsniveaus, met verschillende nationaliteiten en met verschillende culturele achtergronden. In deze lezing zal over de resultaten van dit empirische onderzoek worden gerapporteerd. Ook wordt ingegaan op de literaire technieken die in de fotoverhalen worden ingezet om te bewerkstelligen dat lezers zich identificeren met een van de hoofdpersonen, en zich langs die weg laten overtuigen van de noodzaak iets aan hun gezondheidsgedrag te veranderen.

Ruth Koops van ’t Jagt (RUG) - Praten met je dokter: Een fotostripserie die patiënten ondersteunt in gesprekken met de huisarts

In Europa is één op de twee mensen niet ‘gezondheidsvaardig’. Dat betekent dat je niet voldoende in staat bent om informatie over ziekte, gezondheid en zorg te vinden, te begrijpen en te gebruiken bij beslissingen die je neemt over je gezondheid. Praten met de dokter is dan niet altijd gemakkelijk. Ingewikkelde medische termen, tijdsdruk, en onzekerheid kunnen ervoor zorgen dat het moeilijk is om naar een arts te gaan en de juiste informatie te krijgen.

Daarom werden in het kader van het Europese gezondheidsvaardighedenproject IROHLA zeven fotostrips ontwikkeld. De fotostrips behandelen thema’s die regelmatig aan bod komen tijdens gesprekken van patiënten met hun huisarts.

De keuze voor fotostrips is gebaseerd op een systematische review naar interventies die beogen de begrijpelijkheid van gezondheidscommunicatie te vergroten. Daar werd bewijs gevonden voor de effectiviteit van verhalende gezondheidscommunicatie. Verhalende gezondheidscommunicatie vergroot betrokkenheid en daardoor mogelijk motivatie om iets met de informatie te doen. Door herkenbare situaties en personages te portretteren bieden verhalen bovendien rolmodellen en sociale scripts waardoor mogelijk het zelfvertrouwen van de lezer of kijker wordt vergroot.

In deze lezing wordt ingegaan op de ontwikkeling en evaluatie van deze serie fotostrips en wordt uiteengezet hoe ‘Praten met je dokter’ oudere patiënten ondersteunt in hun gesprekken met de huisarts, via narratieve mechanismen als transportatie, identificatie, en self-referencing.

Jos Joosten (RU) - ‘Is er dan niets veranderd?’ Sporen van herinstitutionalisering van de literatuur in 1945

De vanzelfsprekende, impliciete, aanname in de gangbare literatuurgeschiedenissen (Anbeek, Brems, Nederlandse literatuur, een geschiedenis) is dat de literatuur haar plaats na de Tweede Wereldoorlog automatisch weer innam - weliswaar met (soms vertraagd) het verwoestende karakter van de oorlog zélf thematisch verdisconteerd - maar in elk geval vanzelfsprekend. Een vaak aangehaalde zinsnede uit het eerste nummer van Criterium lijkt dit te bevestigen: ‘Is er dan niets veranderd? Zijn de ervaringen van den oorlog enkel een lastige onderbreking geweest?’ De vraag, echter, hoe het literair veld direct na de oorlog concreet vorm kreeg, is echter nog niet eerder behandeld aan de hand van de bronnen zelf. Wanneer verschenen er weer literaire kritieken? En wie werden de eerste naoorlogse critici? Welke (nu allicht vergeten) auteurs werden uitgegeven in de eerste tijd van papierschaarste en welke overwegingen speelden daarbij? Hoe werden de eerste naoorlogse literaire werken gelegitimeerd en hoe profileerden boekhandels zich? Wat was het feitelijk effect van de Eereraad voor de Letterkunde? Anders dan bijvoorbeeld met betrekking tot de beeldende kunsten, waarover onlangs het uitstekende Kunstenaars van de Kultuurkamer van Claartje Wesselink verscheen, is het onderzoek naar de direct naoorlogse jaren in Nederland nog zeer fragmentarisch (het zeer interessante Verborgen boeken van Willem van Toorn e.a. (2015) gaat slechts terloops op de materie in), of grofmazig en nogal kort door de bocht (de roemruchte studies van Adriaan Venema uit de jaren negentig).

In deze bijdrage wil ik een eerste poging doen om het terrein zelf te ontginnen door te onderzoeken wanneer en op welke wijze in de direct-naoorlogse jaren de literatuurkritiek weer een plaats kreeg in een aantal Nederlandse dagbladen. Wie waren de eerste critici? Was er sprake van een expliciete (of impliciete) legitimering van de kritiek? Welke boeken werden geselecteerd (uit welk aanbod)? Speciaal aandacht zal er zijn voor de informatievoorziening en het wedervaren van het branchetijdschrift Nieuwsblad voor den boekhandel, dat in 1944-1945 en verder onafgebroken verscheen.

Bram Lambrecht (KU Leuven) - ‘Met een potlood in de hand’. De representatie van de lezer en het lezen in de tussenoorlogse ‘Boek-uiltjes’ van Raymond Herreman

In de interbellumstudie is de (literaire en literair-kritische) representatie van het lezen en de lezer nagenoeg buiten beeld gebleven. Zo’n onderzoeksperspectief lijkt nochtans veelbelovend voor de periode in kwestie, waarin het aantal lezers en literatuurliefhebbers exponentieel toeneemt, nieuwe lezersgroepen opkomen en hiërarchieën worden gecreëerd binnen het lezerspubliek.

In mijn lezing wil ik die onderzoekspiste openen via een gefocuste analyse van de ‘Boek-uiltjes’ van Raymond Herreman. De ‘Boek-uiltjes’ verschenen tussen 1929 en 1940 (en na de oorlog tussen 1944 en 1970) bijna dagelijks in de Belgische socialistische krant Vooruit. Nu eens zijn het recensies of persoonlijke lectuurnotities, dan weer morele, politieke of filosofische beschouwingen met een literaire aanleiding, expresinterviews met schrijvers of berichten uit de culturele actualiteit. Herreman richtte zich met zijn boekenrubriek tot een zo breed mogelijk publiek – van de ‘proletariërs’ tot de ‘intellectuelen’, volgens Herremans eigen terminologie. De ‘Boek-uiltjes’ kunnen worden beschouwd als een exponent van de tussenoorlogse middlebrow culture, die bestaat uit ‘an unprecedented range of activities aimed at making literature and other forms of “high” culture available to a wide reading public’ (Rubin 1992).

Mijn analyse van Herremans ‘Boek-uiltjes’ uit het interbellum wordt gestuurd door een dubbel perspectief. Aan de ene kant bestudeer ik de opvattingen over types van lezen en lezers die in dat omvangrijke corpus vervat zitten. Aan de andere kant neem ik het ethos van de criticus als lezer onder de loep: hoe representeert Herreman zijn eigen leesactiviteit? In hoeverre stelt hij zijn persoonlijk lezerschap als exemplarisch voor?

Ted Laros (OU) - De wederopbouw van het Nederlandse literaire veld na WOII: De zuivering van het veld door de Ereraad voor de Letterkunde, 1945-1948

Dit paper presenteert de resultaten van een archiefonderzoek naar het functioneren van de Ereraad voor de Letterkunde en het effect dat dit had op het literaire veld. Hierbij wordt onder meer ingegaan op de concepten, normen en methoden gehanteerd door de Ereraad. Zo zal worden gekeken in hoeverre, naast de onvermijdelijke juridische en morele overwegingen, ook poëticale argumenten een rol speelden in de praktijk van de Ereraad en hoe de verschillende soorten argumenten tegen elkaar werden afgewogen. Voorts zal worden bekeken in hoeverre het vraagstuk van de institutionele autonomie van de literatuur een rol speelde in het beleid van de raad

Om zowel de precisie als de duidingskracht van de analyse te vergroten, zal ze comparatistisch van aard zijn, dit zowel op disciplinair als interdisciplinair vlak. De resultaten van studies omtrent zuiveringen doorgevoerd in buitenlandse velden – m.n. in Frankrijk en België –, maar ook recent onderzoek naar het gedrag van actoren en instituties in het Nederlandse veld van de kunst gedurende de oorlog zullen daarom eveneens in ogenschouw genomen worden.

Nicole M.H. Lücke (Universität Köln) - Het belang van de literaire cultuur voor maatschappelijke en educatieve doeleinden. Perspectieven op literatuur en literatuuronderwijs verruimen

Doel van deze lezing is het voorstellen van de kansen van de literaire cultuur voor het bevorderen van interculturele competentie in het literatuuronderwijs Nederlands en deze kansen aan de hand van de roman Indische duinen (1994) van Adriaan van Dis te veraanschouwelijken.

Maatschappelijke ontwikkelingen, zoals een toenemende globalisering, grote migratiebewegingen en de stijgende mobiliteit van mensen, maken duidelijk dat de succesvolle omgang met mensen met een andere culturele achtergrond een breed spectrum aan specifieke houdingen en vaardigheden vereist. Interculturele competentie wordt tegen deze achtergrond als maatschappelijke kerncompetentie gepostuleerd (Erll & Gymnich 2007) en de ontwikkeling van interculturele competentie zodoende beschouwd als overkoepelend onderwijsdoel (KMK 2011, 2013). Het onderwijs in moderne talen krijgt bij het bejegenen van het vreemde dienovereenkomstig een bijzondere betekenis (Council of Europe 2001). De relevante documenten voor het vreemdetalenonderwijs in Duitsland benadrukken naast de communicatieve uiteraard de interculturele competentie die als samenspel van kennis, houdingen en bewustheid wordt omschreven (KMK 2003, KMK 2012, KLP 2014). De rol die literaire teksten voor een veranderende maatschappij spelen, en vice versa, wordt onder andere door actuele literatuurwetenschappelijke richtingen en mede door de literatuurdidactiek benadrukt (Bredella 2012; Matz, Rogge & Siepmann 2014, Lücke 2014). Het didactische potentieel van literaire teksten ligt onder meer in de mogelijkheid om interculturele ontmoetingen waarneembaar en begrijpelijk te maken (Surkamp & Sommer 2002).

Culturele processen van globalisering (zowel vroeger als nu) kunnen door een close reading van teksten die culturele contactsituaties literair uitbeelden en met behulp van een cultuurwetenschappelijke contextualisering zichtbaar worden gemaakt en worden gevolgd. Mede door een dergelijke benadering zullen literaire en culturele leerprocessen mogelijk worden gemaakt en bereikt de literaire cultuur een relevante betekenis voor maatschappelijke en educatieve doeleinden in de eenentwintigste eeuw.

Anne-Fleur van der Meer (VU) - ‘Ik kan niet genezen van een kwaal die ik niet ken’. Kennis en intertekstualiteit in hedendaagse autobiografieën over depressie

De afgelopen decennia zijn vele zogenoemde autobiografische geschriften over depressie verschenen. Daarin heeft een (voormalig) patiënt de eigen ervaringen beschreven met wat door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) wordt beschouwd als de meest voorkomende psychische aandoening wereldwijd. De werken konden rekenen op een aanzienlijke lezerskring en hebben in veel gevallen ruime aandacht genoten in de (journalistieke) media.

In dit paper onderzoek ik de representatie van wetenschappelijke inzichten in deze autobiografieën. In het verlengde daarvan bestudeer ik de wijze waarop de werken aan de distributie van deze kennis bijdragen.

Wie uitspr aken wil doen over de rol van autobiografische literatuur in het proces van kennisdisseminatie, zal ten eerste aandacht moeten besteden aan de functie van verwijzingen naar kennis in de constructie van het autobiografisch ‘ik’. Ten tweede moet men oog hebben voor het gegeven dat de gerepresenteerde inzichten niet ‘in tact’ blijven, maar getransformeerd en geëvalueerd worden; de functie van de werken moet tenminste in relatie tot dat aspect van kritische bemoeienis worden begrepen.

Een studie naar intertekstualiteit blijkt mede een vraag naar de functie van geëngageerde kennisacquisitie voor een ‘ik’ dat geconfronteerd wordt met een even ontwrichtende als enigmatische psychopathologie. Daarmee kom ik op het spoor van conventies in de hedendaagse gezondheidscultuur waarin ‘kennis’ en ‘begrip’ (in praktijken als ‘self-care’, ‘self-management’, of ‘self-diagnosis’) in toenemende mate voorwaardelijk zijn ‘to become active and responsible consumers of medical services and products’ (Rose 2006).

Marijke Meijer Drees (RUG) - Fuit Ilium: narratieven in vroegmoderne literaire rampwerverwerkingen

Collectieve verwerkingsprocessen van natuurrampen en andere grootscheepse crises gaan van oudsher gepaard met allerlei pogingen tot duiding en verklaring van zulke ontwrichtende gebeurtenissen. Uit het historische rampenonderzoek dat dusverre verricht is, komt steeds weer naar voren dat de rampverwerking in de premoderne tijd gedomineerd wordt door slechts één bepaalde, moreel-religieuze, ‘peccatogene’ verklaringsperceptie: de gemeenschap heeft gezondigd en daarmee Gods wraak of straf over zich afgeroepen.

Dit breed gedeelde en gevestigde inzicht vraagt erom getest te worden, te worden uitgediept en aangevuld. Literaire bronnen bieden voor rampenonderzoekers nog vrijwel genegeerde mogelijkheden. In deze lezing zal de aandacht uitgaan naar de terugkerende narratieven die de auteurs bij hun zienswijze hebben ingezet en die fungeren als ‘frames’: vertelkaders die een bepaalde logica in het rampdiscours op gang brengen en daarmee de emoties en het handelen van deelnemers aan het discours richting geven. Literaire verwerkingen van omgevingsrampen uit de 17de eeuw zullen centraal staan, bijvoorbeeld de zogenoemde 'Delftse Donderslag' in 1654 (de explosie van het Hollandse buskruitmagazijn in het centrum van Delft), de Grote Brand van Londen in 1666, en de St. Maartensvloed van 1686 (overstroming in Friesland, Groningen en Oost-Friesland).

Ivo Nieuwenhuis (RUG) - The centre cannot hold. Politieke satire en de poreuze grenzen van de literaire cultuur

Deze lezing benadert de kwestie van het belang dan wel einde van de literaire cultuur vanuit het perspectief van de marges van die cultuur: verschijnselen die zich bewegen op de grens van het literaire en het niet-literaire, zoals het lied en de journalistiek. Ik wil betogen dat dergelijke ‘randverschijnselen’ ons in feite vooral tonen hoe poreus de grenzen tussen de literaire en andere culturen zijn, en hoe relatief die grenzen daarmee ook zijn.

Concreet werk ik dit punt uit aan de hand van het thema politieke satire, dat ik beschouw als een cross-over van literatuur en journalistiek. Ik bespreek enige voorbeelden van dit genre uit de periode 1780-heden, waarbij ik laat zien hoe de literaire kant, de kunstige vorm en de inzet van retorica, steeds samengaat met de journalistieke, het informeren en opiniëren.

Met de politieke satire als casus wil ik aantonen dat, op de lange termijn, het maatschappelijk belang van de literaire cultuur niet zozeer afgemeten moet worden aan de opkomst en het verval van specifieke genres of instituties, zoals de roman of de literatuurkritiek, maar aan de positie die teksten in eender welke vorm innemen in de publieke ruimte, en aan de impact die die teksten hebben binnen de samenleving.

Bettina Noak (Freie Universität Berlin) - Literatuur en kennis: geschiedschrijving en geneeskundige kennis in vroegmoderne teksten

Het geneeskundige verhaal (case history) werd in de laatste jaren tot een belangrijk onderwerp zowel in de historie van de geneeskunde als ook in de literatuurwetenschap. Een reden daarvoor was de grote belangstelling voor het thema ‘literatuur en kennis’ in de jongere geschiedenis van het onderzoek, waarbij de focus vooral ook op de samenhang tussen literatuur en natuurwetenschappen gericht was. In de vroegmoderne tijd existeert een fundamentele relatie tussen kennis, voortkomende uit medische consilia en observationes als ook weten dat uit de schat van historische vertellingen werd gewonnen.

In de voordracht zal de relatie tussen geschiedschrijving en de productie van geneeskundige kennis aan de hand van het werk van Johan van Beverwijck (1594-1647) en andere vroegmoderne medische auteurs worden belicht. Een invalshoek voor de analyse is daarbij de rol van de verbeeldingskracht in de historische, bijbelse of mythologische exempla en in de consilia, casus en observationes. Als een vorm van geschiedschrijving is het geneeskundige verhaal afhankelijk van het inlevingsvermogen van de lezer, dus zijn vaardigheid, middels de imaginatie – met behulp van de herinnering aan waarnemingen – beelden te vormen, en wel met betrekking op het verleden en de toekomst.

Jan Oosterholt (OU) - Toneelbewerkingen van negentiende-eeuwse romans

Gaat het over een crisis van de literatuur, dan wordt al snel verwezen naar de concurrentie van andere media. In commercieel opzicht lijken romans anno 2016 pas echt succesvol wanneer ze bewerkt worden tot speelfilm of t.v.-serie. Het adapteren van romans is minder nieuw dan wel wordt gedacht: al sinds de grote doorbraak van de roman in de negentiende eeuw werden romans immers bewerkt voor het theater. In de Angelsaksische landen is hier, bijvoorbeeld voor wat betreft de oeuvres van Walter Scott en Charles Dickens, al enig onderzoek naar gedaan, maar voor wat betreft de Nederlandse letteren is het onderzoek naar toneelbewerkingen van romans een onontgonnen terrein. Hier en daar wordt wel verwezen naar losse voorbeelden, maar systematisch onderzoek ontbreekt.

In deze lezing wil ik een aantal kwesties bespreken die met onderzoek naar toneelbewerkingen van romans samenhangen. Hoe bespraken critici dit fenomeen (werden de bewerkingen ook in de negentiende eeuw al als een bedreiging gezien van de literatuur)? Welke rol speelden bewerkingen in de receptiegeschiedenis van romans (hebben zij bijvoorbeeld invloed gehad op de gangbare ‘lezing’ van bekende romans)? Is er sprake van een (eventueel wederzijdse) beïnvloeding voor wat betreft de vormgeving van de tekst?

Kris Pint (Universiteit Hasselt) - Literatuur als levenskunst: een nieuwe Gebruiksaanwijzing der lyriek

Roland Barthes omschreef eind jaren ’70 zijn lessen literaire semiologie aan het Collège de France als ‘une introduction au vivre, un guide de vie’. Het is een omschrijving die vandaag meer dan ooit van toepassing lijkt op literatuur, getuige de populariteit van boeken zoals bijvoorbeeld Alain de Bottons How Proust Can Change Your Life (1998). Dergelijke zelfhulpboeken worden door professionele lezers vaak meewarig bekeken, vanwege de reductie van de literaire ervaring tot een reeks moralistische levenslessen.

Toch confronteert een dergelijk ‘oneigenlijk gebruik’ de literatuurwetenschap met het feit dat je literatuur zélf als een waardevolle vorm van kennis kan beschouwen. Dit vormt dan ook mijn uitgangspunt: hoe literatuur als een bijzondere vorm van wetenschap te benaderen die toelaat niet alleen via concepten en proposities, maar ook via gewaarwordingen, affecten en emoties te denken.

Dit zal gebeuren vanuit een actualisatie van John Deweys Art as Experience (1934) gekoppeld aan Paul van Ostaijens Gebruiksaanwijzing der lyriek (1925), om de waarde van literatuur als levenskunst aan te tonen, althans voor het specifieke soort van ‘leven’ waarvoor Roland Barthes literatuur als een onmisbare gebruiksaanwijzing zag.

Linde De Potter (UGent) - ‘Books for the millions’? Over Hugo Claus’ seventiesromans

Bij het aanbreken van de seventies vonden in de Nederlandse literaire cultuur ingrijpende ontwikkelingen plaats. Na het grensverleggende proza van de sixties verlangden veel lezers, critici en (nieuwe) schrijvers namelijk terug naar ‘leesbare’ en ‘authentieke’ verhalen. Experiment en engagement moesten daarom plaatsmaken voor een ‘restauratieve’ (Polet 2005, Vogelaar 1974), realistisch-subjectivistische literatuur, die erop gericht was de ‘gewone lezer’ terug te winnen (De Rover 1982, Bousset 1988). Ook in het boekenvak wilde men het bereik van de literatuur uitbreiden. Dit leidde tot nieuwe propaganda- en populariseringstrategieën en een relatieve voorkeur voor vlot consumeerbare teksten (Brems 2006, Van Boven 2015). De literaire roman werd in toenemende mate beschouwd als een cultureel consumptieartikel dat de lezer entertainment moest bieden.

Hoe reageerden de gevestigde (modernistische) romanciers op deze ontwikkelingen in de literaire cultuur? Zochten zij, in en buiten hun werk, eveneens toenadering tot het brede publiek? Hoe? Hoe wogen zij commerciële eisen en artistieke belangen tegenover elkaar af? In mijn paper zal ik deze vragen verkennen a.d.h.v. een casus: Hugo Claus’ romanproductie en mediaoptreden in de jaren zeventig. M.b.v. een paratekstuele en narratologische analyse zal ik nagaan hoe Claus zich met zijn seventiesromans verhield tot de geschetste evoluties in het literaire landschap.

Orsolya Réthelyi (Eötvös Loránd Universiteit Boedapest) - ‘Niet dat sulckx de waerheyt sy’. Historisch gelegenheidstoneel tussen nieuwsberichten en literaire traditie

In augustus 1686 eindigde de belegering van de stad Boeda door de Heilige Liga in een overwinning van de geallieerde Christelijke troepen op het leger van het Ottomaanse Rijk. Met de val van Boeda kwam er een eind aan de 145 jaar lang durende Ottomaanse heerschappij over de stad, die tot 1526 de historische hoofdstad van het Hongaarse Koninkrijk was. Het evenement werd door tijdgenoten ervaren als symbool voor de overwinning van het christendom op de islam. Verslagen, pamfletten en nieuwsberichten verspreidden het nieuws in veel Europese talen. Het is niet algemeen bekend dat de overwinning ook een aantal Nederlandstalige toneelstukken inspireerde, o.a. Het zegepraalende Oostenryk, of verovering van Offen van Govert Bidloo (1686), Buda anders Offen. Treurspel (1686) van Jan Palensteyn en De verovering der koninghlyke stad Buda door ‘Een Liefhebber der Rym-konst’ (1687). Twee van de toneelstukken maken gebruik van de epische traditie van de belegering van Troje. Een voor de hand liggende gevolg van deze keuze is dat sympathie wordt gecreëerd voor de belegerde Ottomanen, iets dat vrij ongebruikelijk was in de toneeltraditie van de zeventiende eeuw. In mijn paper wil ik ingaan op processen van het fictionaliseren van nieuws en cultural transfer.

Frans Ruiter (UU) - Kleine meditatie over een ‘cadeau d’une merde’

In zijn recente essaybundel Wat er op het spel staat (2014) betuigt Cyrille Offermans nogmaals zijn liefde voor de Vijftigers. Volgens hem werden ze gemotiveerd door een ‘tegenkracht die misschien nog het best met het woord generositeit kan worden omschreven’. Er zijn volgens Offermans ook ‘niet-genereuze’ schrijvers. De metaforen die Offermans gebruikt om een oppositie tussen deze twee soorten schrijvers te creëren, liegen er niet om: openheid, lenigheid, liefde versus hardheid, gepantserd bastion, enz. Als een uitgesproken voorbeeld van zo’n niet-genereuze schrijver heeft hij Hermans op het oog. De lezer wordt door de lectuur van Hermans’ werk niet verrijkt of bevrijd, maar ontvangt een presentje dat als hij het uitpakt vergif blijkt te bevatten. Offermans snijdt een bijzonder intrigerende en belangwekkende problematiek aan. Wat geeft een schrijver eigenlijk aan zijn lezer? Zijn er verschillende soorten ‘literaire’ giften mogelijk, genereuze en niet-genereuze, genezende en vergiftigde? En wat voor band met zijn lezers wordt er zo respectievelijk mee geschapen? Op deze vragen zou ik in mijn lezing willen ingaan.

Wouter Schrover (VU) - Schrijven als een antropoloog: over fictionele etnografie en etnografische fictie

De laatste decennia wordt er in Nederland binnen de antropologie een debat gevoerd over de vraag of en, zo ja, hoe literaire fictie als bron van kennis kan dienen voor deze discipline. De relevantie van literair-fictionele verhalen zou blijken uit hun vermogen om, net als de antropologie, inzicht te bieden in de mens en zijn wereld.

In een artikel over de grenzen tussen etnografie en fictie heeft antropoloog Didier Fassin (2014) een onderscheid gemaakt tussen twee mogelijke kenmerken van een tekst, namelijk het horizontale en het verticale. Het eerste betreft dat wat bestaat of is gebeurd, het tweede ‘that which has to be regained from deception or convention. Reality is horizontal, existing on the surface of fact. Truth is vertical, discovered in the depths of inquiry’. Volgens Fassin beogen etnografische beschrijvingen zowel het horizontale als het verticale recht te doen, terwijl fictie zich minder gebonden weet aan het referentiële: ‘more than reproducing the real, fiction aspires to unveil profound truths about the state of the world’.

Hoewel het onderscheid tussen literaire fictie en etnografie daarmee ogenschijnlijk overtuigend in kaart is gebracht, wil ik betogen dat er in dit opzicht juist geen principieel verschil is tussen de twee. Daarmee wil ik eveneens onder de aandacht brengen dat fictie op verschillende manieren relevant kan zijn voor de antropologie.

Matthieu Sergier (USL-B & UCL) - Van Woerdens vreemde woorden. Heterolinguisme en ethiek in Henk van Woerdens Een mond vol glas (1998)

Het staat vast dat onze geglobaliseerde multiculturele maatschappij gebaat is met een literaire cultuur. Een belangrijke reden is dat literatuur beter inzicht kan bieden in de ethische houding van het ‘ik’ tegenover de andere (Attridge 2004, Herman & Vervaeck 2002, Sergier 2012), of tegenover een als ‘anders’ ervaren taal (Ost 2009).

In dat opzicht vormen zogenoemde ‘heterolinguistische’ (Suchet 2014) teksten een discursieve ruimte die bijzonder gepast is om greep te krijgen op de ethische houding tegenover de andere en de andere taal. De stelling dat er een eenduidige cultuur zou bestaan die op één enkel discursief kader berust en dat kader ook zou bezitten, wordt door heterolinguistische teksten gewoonweg op losse schroeven gezet.

In mijn presentatie gaat mijn aandacht naar het werk van de in Zuid-Afrika geboren schrijver Henk Van Woerden (1947-2005). De dominerende Nederlandse taal die zijn teksten ensceneren, lijkt nooit echt afgebakend en vormt eerder een aanleiding om andere talen te huisvesten, of beter : om zich erdoor te laten ‘ver-anderen’. In mij bijdrage wil ik focussen op de autobiografisch getinte roman Een mond vol glas (1998), die het laatste deel vormt van een drieluik die Van Woerden Zuid-Afrika besteedde.

Wilbert Smulders (UU) - Het geheim als hart van de cultuur: de social media en W.F. Hermans

De moderne cultuur sinds de verlichting wordt gedomineerd door het ideaal van transparantie. Er dient openheid te bestaan, niet alleen in het publieke domein maar ook binnen het private bestaan. Dit streven heeft in de 19e en20e eeuw een cumulatie en intensivering van communicatiemiddelen teweeggebracht: krant, radio, telefoon, televisie en ten slotte internet. Met name de social media hebben de laatste decennia de indruk gewekt dat men alles met iedereen kan delen, niet alleen publiek maar ook privé. Zeer velen proberen dagelijks hun identiteit zoveel mogelijk in woord en beeld vast te leggen en - vooral - dit met zoveel mogelijk anderen te delen.

In dezelfde periode uiten veel schrijvers juist hun scepsis over dat transparantie-ideaal. Zij beelden uit, niet alleen dat er in elk mens en tussen alle mensen een geheim bestaat, iets dat per se niet onthuld kan worden, maar ook dat het daarom draait. W.F. Hermans is zo’n schrijver. Met name in ‘Preambule’ van Paranoia beeldt hij het verlangen naar transparantie en compleetheid uit. Maar hij bestempelt het ook als per se onvervulbaar. Wat levert het op als we het verlangen van de talloos veel miljoenen over de hele wereld die de social media gebruiken, confronteren met de scepsis van een schrijver als Hermans.

Lisanne Snelders (UvA) - ‘Onnodige vreemde woorden’. Over in- en uitsluiting in de culturele herinnering aan Nederlands-Indië

In de totstandkoming en ontwikkeling van (post)koloniale culturele herinnering spelen processen van in- en uitsluiting een belangrijke rol: sommige herinneringen aan de koloniale tijd maken wel deel uit van een nationaal herinneringsdiscours, terwijl andere er geen toegang toe krijgen of pas later worden ingepast. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de positie van (post)koloniale literatuur in relatie tot de Nederlandse canon, die daar geen vanzelfsprekend onderdeel van uitmaakt. Zo werd literatuur over Nederlands-Indië, afgezien van een aantal ‘meesterwerken’, doorgaans als apart genre gecompartimentaliseerd.

Deze lezing onderzoekt die processen van in-en uitsluiting aan de hand van een casestudy, de ontwikkeling van het posture van de Indische-Nederlandse Jan Boon, die vooral bekend is onder zijn pseudoniem Tjalie Robinson, de ‘voorman’ van de Indische gemeenschap. Hoewel hij in die gemeenschap bekendheid geniet als journalist en literair auteur (onder de naam Vincent Mahieu) is hij in Nederlandse literatuurgeschiedenissen niet vanzelfsprekend aanwezig. Er wordt gekeken welke argumenten in de receptie van Robinsons werk en persoon zijn gebruikt om hem tot de ‘Nederlandse’ dan wel ‘Indische’ literatuur te rekenen en hoe dat verband hield met de veranderende historische context, discoursen over integratie en assimilatie van repatrianten en ideeën over wat wel en wat niet ‘Nederlands’ is.

Kila van der Starre (UU) - De literaire cultuur van poëziepodia. 50 jaar na ‘Poëzie in Carré’

Poëziepodia in Nederland en Vlaanderen worden goed bezocht. Volgens velen ligt het begin van dit type literaire cultuur bij het evenement ‘Poëzie in Carré’ (1966), dat dit jaar vijftig jaar geleden plaatsvond. Wat is er sinds 1966 hetzelfde gebleven en wat is er veranderd in de Nederlandstalige poëziepodiumcultuur? Poëzie is oraal ontstaan en is in die vorm altijd blijven bestaan. Simon Vinkenoogs evenement was echter bijzonder omdat het een groot publiek trok en omdat het een grote verscheidenheid aan literaire extensies voortbracht, waaronder een televisiereportage, een radioverslag, een langspeelplaat en een boek. De invloed op poëzie-evenementen als de ‘Nacht van de Poëzie’ en de vele poetry slams is groot. Het competitieve element, het internet en de positie van de vrouw zijn echter elementen die de poëziepodiumcultuur sinds 1966 hebben veranderd. De bezoekers van ‘Poëzie in Carré’ kregen een enquête voorgelegd over hun achtergrond en hun mening over de poëzieavond. Kila van der Starre heeft dezelfde enquête een halve eeuw later herhaald onder de bezoekers van de ‘Nacht van de Poëzie’, de finale van het ‘Belgisch Kampioenschap Poetry Slam’ en de finale van het ‘Nederlands Kampioenschap Poetry Slam’. Hoe zijn de resultaten te vergelijken met die uit 1966?

Lieselot De Taeye (VUB) - ‘U hebt ernaar gevraagd, anders had ik er niks van gezegd’ – Interviews, auteurschap en authenticiteit bij Armando, Hans Sleutelaar en Enno Develing

De SS’ers (1967) van Armando en Hans Sleutelaar en De maagden (1968) van Enno Develing bestaan (deels) uit getranscribeerde interviews waarin anonieme personen over hun ervaringen (als SS’er tijdens de Tweede Wereldoorlog, of van hun eerste seksuele contact) getuigen. De auteurs zeiden zo op een alternatieve manier de geschiedenis of de contemporaine samenleving te willen beschrijven. Recentelijk is veel aandacht besteed aan het literaire interview (Dorleijn 2013, Masschelein e.a 2014, Rodden 2001, Verstraeten 2013). De interviews in De SS’ers en De maagden verschillen op enkele vlakken van dat genre: literaire auteurs worden hier niet geïnterviewd maar ze laten zelf anderen aan het woord, die bovendien figuren van buiten het literaire veld zijn. Desondanks komen bij dergelijke interviews soortgelijke vragen als bij het literaire interview naar boven. Zo wordt het auteurschap bijvoorbeeld gecompliceerd door de dialoog tussen interviewer en geïnterviewde en ontstaat er een specifiek authenticiteitspact met de lezer, dat anders functioneert dan bij fictionele teksten, hoewel interviews vaak verzonnen elementen bevatten en de tekst dikwijls sterk afwijkt van het gesprek dat eraan ten grondslag lag. Ik wil daarom uitgaan van de bestaande inzichten in het literaire interview als genre om deze problematieken in De SS’ers en De maagden te analyseren.

Stéphanie Vanasten (UCL) - ‘Je bent er’. Of hoe stadsdichterschap literaire cultuur als sensorieel beleven en extension op de kaart zet

In deze bijdrage wil ik graag ingaan op een ogenschijnlijk bloeiende tak van de Nederlandstalige literaire institutie, namelijk de stadsdichters. Wanneer we de praktijk van het officiële dichten en het dichtersambt in de openbare ruimte in een historisch perspectief plaatsen, stellen we vast dat het fenomeen in de Lage Landen eigenlijk al in de 14de eeuw voorkomt (Pleij 2006, Geerdink 2011). Interessanter dan de vraag of het al dan niet uniek is voor het Nederlandse taalgebied, is wat het stadsdichterschap als symptomatisch voor een bredere, gedeelde literaire cultuur die afhangt van de politieke macht ons kan leren over de werking van literatuur vandaag de dag (in vergelijking met eerdere periodes) in een sterk gemediatiseerde, community-oriented en door snelheid en urgentie gekenmerkte maatschappij ; deze drie laatste aspecten lijken net in te druisen tegen het traditionele gebruik van boeken en literaire teksten in het bijzonder (trage, eenzame en voornamelijk unimediale bezigheid die een kapitaalkrachtige toegang tot het medium veronderstelt).

Centraal in deze bijdrage staat de vraag waarom literatuur in de vorm van het stadsdichterschap legitimatie krijgt in de openbare ruimte : voor wie, voor welke actoren van het veld, voor hoelang, welke functies en opvattingen van literatuur en cultuur staan daarbij voorop, en met welke terugwerkende kracht voor een begrip van de teksten zelf ? Hoe verhouden die ‘literary extension’ en ‘diversion’ (Arjun Appadurai, gecit. naar Collins 2010) zich ten slotte tot de traditionele literatuur? Stadsdichterschap eist via de stem van vaak erkende schrijvers de publieke aandacht voor literaire teksten op (is het nu voor hun kritisch, onderhoudend of didactisch potentieel), schrijft ze in andere gebruikscontexten in, verschuift de grens tussen immaterieel en materieel geheugen dankzij nieuwe tekstdragers, verschaft een andere (democratische, burgerlijke) toegang tot geletterdheid, en richt andere vormen van (literaire) socialisatie in, die de traditionele categorieën auteur en lezer doorbreken (co-auteurschap, interactief lezen of collectief ontvangen van de tekst).

Op deze aspecten van het stadsdichterschap wil ik graag reflecteren aan de hand van enkele exemplarische voorbeelden uit het originele stadsdichterwerk van Joke van Leeuwen, Tom Lanoye en Peter Holvoet-Hanssen.

Janneke van der Veer (OU) - ‘Het katterig gezanik om een jongen’. Diet Kramer en de kritiek op het meisjesboek

‘Geen genre kinderboeken in de twintigste eeuw dat zo omstreden is als het meisjesboek’, schrijft Aukje Holtrop in De hele Bibelebontseberg (1989). Haar uitspraak is mede gebaseerd op de kanttekeningen die critici in de periode 1900-1940 hebben gemaakt bij de meisjesboeken die destijds in grote aantallen op de markt werden gebracht. Veelal was die kritiek gerelateerd aan de pedagogische functie van jeugdliteratuur in het algemeen en meisjesboeken in het bijzonder.

Te midden van deze kritische geluiden valt op dat de eerste meisjesboeken van Diet Kramer (1907-1965), Stans van de Vijf-jarige (1927) en Ons Honk (1928), goed werden ontvangen. Zelf had Diet Kramer ook kritiek op veel meisjesboeken van haar tijd. Ze had zo haar eigen ideeën over wat een goed meisjesboek was. Daarbij benadrukte ze de pedagogische verantwoordelijkheid van auteurs van meisjesboeken. Een verantwoordelijkheid waaraan ze ook ten aanzien van haar eigen schrijverschap zwaar tilde.

In mijn lezing geef ik een overzicht van de kritiek die er in de periode 1900-1940 was op het meisjesboek en de positie van Diet Kramer te midden van die kritiek. Hoe werd er op haar boeken gereageerd? Wat waren haar opvattingen over het genre en hoe gaf ze die gestalte in haar boeken?

Coen van ’t Veer (Universiteit Leiden) - De zeereis als huwelijksfuik: gender in romans over de overtocht tussen Nederland en Indië (1850-1890)

Uit contemporaine fictie over de bootreis doemt een opmerkelijk beeld op. De schepen die tussen 1870 en 1940 tussen Nederland en Indië varen, vormen een microkolonie: een gecomprimeerde versie van de koloniale samenleving. Vrijwel alle geledingen van de koloniale gemeenschap zijn aan boord vertegenwoordigd. Mijn promotieonderzoek De kolonie op drift betreft de beschrijving en analyse van representaties in contemporaine fictie van de reis per schip tussen 1850 en 1940 tussen Nederland en Nederlands-Indië.

Reisteksten hebben een cruciale rol gespeeld in de westerse constructie van de koloniale wereld. Romans en korte verhalen spelen volgens de postkoloniale theoretici binnen het koloniaal discours een doorslaggevende rol. Een belangrijk aspect binnen het koloniaal discours is gender. Uit analyse van zeventien romans die de periode 1850-1890 beslaan, valt op dat al deze romans androcentristisch zijn. Het centrum van de macht werd ingenomen door de westerse blanke man en andere groepen werden uitgesloten.

Op het niveau van het gezin tonen de romans echter een ander beeld: in de veelal matrilineair ingerichte Indische maatschappij fungeerde de vrouw als mater familias: zij had achter de schermen de touwtjes stevig in handen. Door en binnen het huwelijk konden vrouwen behoorlijk wat macht uitoefenen. Het huwelijk was daarom een instituut van belang en bood vrouwen een carrièreperspectief in de koloniale maatschappij. Dat had zijn weerslag op de onderlinge verhoudingen aan boord van de zeeschepen die passagiers vervoerden tussen Nederland en Indië. Enige tijd na afvaart van het zeeschip begon het ‘husbandhunting’ al. De zeeschepen functioneerden dan ook als ware huwelijksboten.

Liesbeth Vonhögen-Geertsema (OU) - ‘Hoever daalt men af in een oorlog?/ zo diep de moeder is, zo hoog de vader?’ Herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog in de Nederlandse poëzie.

Al zo vaak is de Tweede Wereldoorlog het onderwerp geweest van studies. De manier waarop in de poëzie de verwerking van de oorlog wordt uitgedrukt kwam hierbij echter nauwelijks aan bod. Het aantal oorlogsgedichten was onbekend, het aantal dichters eveneens, laat staan dat er gekeken is naar de wijze waarop over deze oorlog gedicht werd. Uit mijn onderzoek naar de weerslag van de Tweede Wereldoorlog in de Nederlandse poëzie tussen 1940 en 2005 is naar voren gekomen dat er gedurende deze periode een overstelpend aantal oorlogsgedichten is gepubliceerd. Ieder jaar van de onderzoeksperiode laat dit type poëzie zien. Het oorlogsthema wordt hierin op verschillende manieren gerepresenteerd en hierbij zijn patronen te onderscheiden van groepen en ontwikkelingen. De belangrijkste en grootste groep is die van de herinneringsgedichten. Deze poëzie vormt een bewaarplaats van oorlogsherinneringen, niet alleen van de eerste generatie, maar ook van de generaties daarna. Vanaf 1950 zien we dit type poëzie gedurende de hele onderzoeksperiode. Allereerst geschreven door volwassen ooggetuigen van de oorlog, vervolgens door dichters die de oorlog als kind hebben meegemaakt en daarna door hen die de oorlog ‘alleen van horen zeuren kennen’. Elke generatie spreekt zich hierover uit in poëzie. De bewaarplaats heeft opengeslagen deuren en biedt een onderkomen voor telkens nieuwe en andere oorlogsherinneringen in poëzie.

Marc van Zoggel (Huygens ING) - Een opmaat tot de veldslag. De representatie van hooliganisme in de ‘Homo Duplex’-cyclus van A.F.Th. van der Heijden

Sport is prominent aanwezig in de vrijetijdscultuur in Nederland en Vlaanderen. In de vorige eeuw ontwikkelde de voetbalsport zich daarbinnen tot ‘volkssport nummer één’. In het kielzog hiervan kwam ook het supportersgeweld tot ontwikkeling, een fenomeen met een grote maatschappelijke impact. Het ‘voetbalvandalisme’ of ‘hooliganisme’ culmineerde in 1997 met de dood van Ajax-hooligan Carlo Picornie in de ‘Slag bij Beverwijk’, een treffen tussen aanhangers van Ajax en Feyenoord.

Al in 1985 had Willem Frederik Hermans het voetbalgeweld een typisch naoorlogs verschijnsel genoemd. In ‘een wereld zonder oorlog’ zou het voetbalstadion het nieuwe slagveld worden: ‘Ik zie reikhalzend uit naar de eerste roman over dit onderwerp’. Die verscheen echter pas na Hermans’ overlijden; in De Movo Tapes (2003) en Drijfzand koloniseren (2006), delen uit de cyclus ‘Homo duplex’ van A.F.Th. van der Heijden, staat de strijd tussen ‘Erdam’ en ‘Adam’ symbool voor de rivaliteit tussen Rotterdamse en Amsterdamse hooligans.

In mijn bijdrage wil ik onderzoeken hoe Van der Heijden de sport en in het bijzonder het hooliganisme in de genoemde werken representeert. Ik wil onder meer nagaan in hoeverre binnen het bestek van de romans naar een verklaring wordt gezocht voor het fenomeen (historisch, sociologisch, psychologisch, etc.) en van welke ‘literaire’ middelen en technieken de auteur zich hierbij bedient.